Auteursarchief: zorgimpact

Jeugdzorg, Transformatie, Functies, Processsen, Triage

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

(c) ZorgImpact, 2012

Het Burgerinitiatief Beroepsgeheim

De aanleiding was prins Friso. Een rare ex dokter (Tulleken) met een wat wereldvreemde journaliste (Koelewijn) halen de media met (des)informatie over de conditie van Prins Friso. Verwerpelijk in algemene zin. Zoals er veel onzin dagelijks te lezen en te zien is. Op met name twitter, bijna onwelvoeglijk om die tweets zelfs hier maar te herhalen, wordt het koppel gekielhaald. De aanval, de taal staat in geen enkele verhouding tot het gebeuren, ik noem(de) het de (Groot) Inquisitie. Kort erna een uitzending van de SEH VUMC, omstreden door de verborgen camera’s. Een volstrekt andere gebeurtenis, context en achtergronden. Maar de tweeters van zojuist hebben beet. De twee volstrekt verschillende issues worden op één hoop gegooid. Taalverruwing, decorumverlies en volstrekte gebrek aan inzicht in goede omgangsvormen. De media melken de samengevoegde onderwerpen uit. Er wordt veel gezegd over wel/niet schending van het artselijke beroepsgeheim. Daarmee wordt de verwerpelijkheid van het gebeuren teruggebracht tot een (complex) juridisch onderwerp, dat juist afleidt van de werkelijke vraag (en antwoord) : het hoort gewoon niet. Klaar. En nu is er een Burgerinitiatief om juridisch mogelijk te maken, volgens de initiatiefnemers, dat ook zij mogen klagen over bv. Tullekens beroepsgeheimschending (als die er al was). Volgens de initiatiefnemers is het moment toeval, er is geen verbinding met de zaken hiervoor. Het moet gewoon veranderd.

De zaak zelve

Het is lastig om twee volstrekt niet bij elkaar passende onderwerpen, die bovendien veelal uit hun context gehaald worden besproken, als “de zaak zelve” te beschrijven. In de kern ging het formeel in de discussies om de schending van het beroepsgeheim, terwijl het inhoudelijk om de vraag ging wat wel of niet hoort. In de Friso-zaak gaat het om één dokter in ruste. Bij het VUMC gaat het formeel om de vraag hoe de aard van de toestemming van de patiënten in elkaar zit, maar ook weer materieel om de vraag of dit wel kan (of “hoort”).  De formele kant, schending van het beroepsgeheim resp. de schending van patiëntenrechten (of : privacy) bij het VUMC is door daarvoor beschikbare toezicht organisaties als KNMG, IGZ, Openbaar Ministerie en anderen getoetst. Einduitslag was dat deze alle geen reden of mogelijkheid tot correctie, tuchtrechtelijke of strafrechtelijke vervolging zagen.

Het Burgerinitiatief en de wet

De tweeters van weleer, een kleine groep, wil nu toch háar recht halen, door via een Burgerinitiatief (een verzoek aan de Tweede Kamer c.s.), het nu geldende “klachtdelict” (alleen de getroffene zelf mag klagen, artikel 272 Strafrecht) te laten veranderen, zodat iederéen, ook niet getroffenen, kunnen klagen. In de “Friso-casus” zou zoiets betekenen, dat iedereen bij het Openbaar Ministerie aangifte kan doen tegen schending van Friso’s (medische) geheimen.

In het Wetboek van Strafrecht zijn een aantal delicten opgenomen als specifiek klachtdelict, of anders gezegd, de aangifte van degene die is getroffen, is alleen bepalend of in dit geval het Openbaar Ministerie gaat vervolgen, hier bijvoorbeeld wegens schending van het beroepsgeheim. Hetzelfde geldt bijv. bij “smaad” : ook daar kan alleen de getroffene aangifte doen.

Het zijn niet voor niets destijds door de wetgever delicten, die als klachtdelict zijn geformuleerd. Immers, het betreft hier juist zó de persoonlijke levenssfeer (of: privacy) van betrokkene, dat déze alleen bepaalt of deze klagen wil, in een afweging van wellicht een nog grotere aantasting door de aandacht voor het gebeurde, de vraag of het allemaal wel erg genoeg was, de vraag wat het aan energie kost ten opzichte van de ernst van het (eventuele) delict, de inschatting van de haalbaarheid van de klacht enz. Dit zijn afwegingen, die juist dáarom alleen door de getroffene moeten kunnen worden gemaakt, waardoor niet iedere willekeurige burger, of kleine groep van burgers, zijn belangen nog ernstiger kan schenden zonder dat deze betrokkene dat zelf wil.

Dit laat nog onbesproken, of een klacht/aangifte van de betrokkene ook leidt tot een vervolging door het Openbaar Ministerie. Die weegt namelijk af (onder toezicht van het Gerechtshof, artikel 12 Strafvordering) óf er wel een delict of strafbaar feit is (lees hier bv. : of er wel een beroepsgeheim is geschonden). Veel klachtdelicten als bv. smaad leiden níet tot vervolging, omdat het OM de uiting of het handelen niet strafbaar vindt. Het voert te ver om in dit bestek de Friso-casus geheel uit te werken, maar uit vele (deskundige) reacties blijkt, dat er zeer aannemelijk geen sprake geweest is van schending van het beroepsgeheim (dus : geen vervolging), wel van veel domheid. Maar op domheid staat geen straf.

Ik zou nog niet eens tegen een op termijn goed overwogen aanpassing van art. 272 Strafrecht zijn met een beperkte uitbreiding naar andere direct betrokkenen (familie indien het slachtoffer zichzelf niet kan verweren (vgl. ook de Robert M. casus), nabestaanden) of betrokken toezichthouders. Maar dat wordt in het Burgerinitiatief niet gevraagd. Zij, de initiatiefnemers willen het ook zélf kunnen.

Dat is al één (belangrijke) reden om tegen een aanpassing van de klachtdelicten te zijn, zoals het voorliggende Burgerinitiatief ten aanzien van art. 272 Strafrecht vraagt. Zie het initiatief : http://petities.nl/petitie/oproep-aan-wetgever-tot-afschaffing-klachtvereiste-bij-art-272-strafrecht .

Andere rechtsmiddelen

Het Nederlandse burgerlijke, publieke en strafrecht is een groot gebouw van checks and balances. Een burger heeft veel rechtstreekse mogelijkheden om zijn recht te halen (aangifte, een burgerlijke of civiele procedure wegens onrechtmatige daad, publieke rechtsmiddelen in bestuurlijk beroep). Verder is er een vrij uitgebreid georganiseerd toezicht op allerlei handelen van personen (of professionals) in Nederland, in casu bv. de KNMG, de IGZ enz. Daarnaast zijn er veel andere middelen om in die checks and balances te handelen : de vrijheid van meningsuiting (die is in ieder geval ruim benut), het klagen bij Toezichtorganisaties over hun (niet) handelen enz. enz. En er zitten ook zeker faalpunten in dat systeem, die zich overigens het meest in het publiekrecht afspelen, waar het om het toetsen van overheidshandelen gaat. Al die mogelijkheden kunnen benut worden. Maar ergens houdt het eens op : of iemand wordt bv. veroordeeld, of al dan niet betrokkenen zien dat hun visie op iemands (eventueel strafbare of rechtens laakbare) handelen niet tot het “aanpakken” ervan leidt. En dat hoort ook zo. Daar is het totale recht voor. En dan is er ook nog het Burgerinitiatief. Een goede mogelijkheid voor burgers om met een grotere groep (die tegenwoordig via Internet vrij eenvoudig te vergaren is) ergens, bijvoorbeeld bij de wetgever/tweede kamer, te vragen iets te doen of te laten. De verzochte, bv. de Tweede Kamer, moet dat béhandelen, maar hoeft er niet in mee te gaan.

Overigens had bijvoorbeeld het OM, als zij wél hadden willen vervolgen, nog andere keuzes gehad, zoals “belediging van het Koningshuis” of in andere in het Strafrecht verborgen mogelijkheden. Helder is dat het OM geen heil zag/ziet die richting(en) te kiezen.

Er is een moment dat je je als burger, bij uitgeputte rechtsmiddelen ook moet kunnen neerleggen bij wat er besloten is. Dat heet ook democratie.

En dat is voor mij een tweede reden om het voorliggende Burgerinitiatief naar inhoud af te wijzen. Dit geïsoleerde gelijkhebberige gedrag getuigt niet van respect voor democratische beginselen.

Gelegenheidswetgeving

Algemeen erkend is het staatsrechtelijk “monstrum” dat “gelegenheidswetgeving” wordt genoemd. Een (of zelfs de hoogste, de Hoge Raad) rechter neemt een besluit, dat de wetgever (in bijv. de uitleg van wetgeving) zeer onwelgevallig is. Die correctie, die in een juridisch geschil bv. de Hoge Raad zo kan doen, maakt onderdeel uit van het systeem van checks and balances. Dat systeem wordt doorbroken, als de wetgever daarop terstond de wet verandert. Immers het recht, inclusief het staatsrecht, is goed uitgebalanceerd, en de wetgever doorbreekt dan (niet meer toetsbaar) de balans. Gelegenheidswetgeving is wereldwijd berucht : van het veranderen van kiesdistrictsgrenzen voor een betere uitslag de volgende keer (UK : gerrymandering), tot onlangs de wet die Donner er door joeg om de door de rechter bevolen gratis ID-kaart, weer tot een betaalde kaart te maken. Het als burger vrágen om gelegenheidswetgeving is wellicht nog erger : immers er wordt gevraagd om een zekere willekeur in het gebalanceerde recht en het gebalanceerde wetgevingsproces. Aanleiding tot gelegendheidswetgeving zijn immer incidenten, soms rechterlijke uitspraken, en nu de “casus Friso”. Diezelfde willekeur kan de in dit geval vragende burger ooit hemzelf treffen. Of nu al, zie de ID-kaart.

Het recht om dit Burgerinitiatief te doen zij niemand ontzegd, maar ook het recht niet om daar tegen in het geweer te komen.

Voor mij een derde reden om tegen de inhoud van het Burgerinitiatief te zijn, het is een gelegenheidswetje (of zou dat worden). In het initiatief wordt zelfs verwezen naar de twee aanleidende incidenten (“Friso” en het VUMC).

Omgangsvormen

Terecht wordt geklaagd, dat er in Nederland een zeker verval in de omgangsvormen is. De voorbeeld moeten gevende Tweede Kamer, of het kabinet, dragen aan goede omgangsvormen bepaald niet bij op dit moment. Die (niet) voorbeeldfunctie versterkt een samenleving, waarin het eigen “gelijk” of de eigen “waarden” van de groep verheven worden boven anderen of andere groepen. Zet en strijk op dit moment. Onderdeel van wat “verval in omgangsvormen” wordt genoemd, is (vaak) het gebrek aan proportionaliteit. Het gezegde of gestelde staat in geen enkele verhouding tot het gebeurde. In het parlement en openbaar bestuur leidt dat voor een deel tot incidentenpolitiek. De maatschappij, de samenleving volgt daarin meer en meer, door bijzonder vervelende gebeurtenissen uit hun context te tillen, en disproportioneel te behandelen. De genoemde tweets (zie de geschiedenis op Twitter), maar ook de opvolgende discussies en nu het Burgerinitiatief maken daar onderdeel van uit. Op den duur keert dit ook letterlijke verval van normbesef zich tegen de samenleving zelf.

Een vierde reden om tegen het Burgerinitiatief te zijn, het zal – zeker in samenhang met de vorige punten ook – het tegendeel bewerken van wat ook de initiatiefnemers willen, nl. dat er goed en proportioneel recht wordt gedaan.

Het belang van de kwestie

Het primair aanleidende incident, de casus “Friso” teruggebracht naar zijn werkelijke belang, is het roepen van iets (dat ook nog eens onwaar bleek) door een ex-dokter en zijn echtgenote tevens journaliste.  De onderliggende ander “casus”, de in coma zijnde Friso, is bijzonder ernstig en is dat alleen maar meer geworden. Een lid van het Koninklijk Huis wordt nu eenmaal meer omarmd door haar samenleving dan een onbekende.

Maar het gebeuren zelf, de melding door de ex-dokter en zijn journaliste ega waren en zijn binnen de context juist van het grotere geheel van geen enkel belang. Het groot “koppen” ervan zij de NRC te verwijten, maar dat is een andere kwestie. Ook de verdere uitvergroting door de media, aangestoken door onder meer deze initiatiefnemers, is een discussie die buiten dit bestek valt.

Dat door de onderliggende casus “Friso”, dat roepen meer aandacht kreeg is ook nog begrijpelijk. Maar de “groot-inquisitie”, die er op volgde door een kleine groep medici, ethici en (semi) journalisten staat in geen enkele verhouding tot het gebeurde.

Dit heeft hier niet zozeer met omgangsvormen te maken, maar met het hebben van een goed beoordelingsvermogen met betrekking tot gebeurtenissen, deze en in het algemeen. Of misschien bottom line gewoon met (extreem) gelijkhebberig, bijna narcistisch, gedrag.

Voor mij een vijfde reden om tegen de inhoud van dit Burgerinitiatief te zijn. Het doet geen recht aan het belang van de kwestie.

De medische wereld

Tussendoor. Als in termen van omgangsvormen naar proportionaliteit wordt gekeken, of sec naar het belang van de kwestie in het grotere geheel, rest slechts verbazing. Terecht reageerde op Artsennet iemand, dat er wel belángrijkere kwestie zijn in de zorg en medische wereld, als het om privacy, beroepsgeheim, het wel of niet delen van beroepsinformatie (DBC’s in de psychiatrie) enz. gaat.

Dit eruit tillen van deze kwestie neemt de aandacht weg van dingen waarover het wél zou moeten gaan.

Voor mij een zesde reden om tegen de inhoud van dit Burgerinitiatief zijn. De initiatiefnemers beschikken niet over een proportioneel beoordelingsvermogen als je binnen de zorg en medische wereld naar het grotere geheel kijkt. Juist het incident “Friso” aangrijpen, betekent een miskenning van wat velen in de zorg en medische wereld op andere wijze overkomt, en waar blijkbaar minder aandacht voor is.

De initiatiefnemers

Het begon vandaag, op vrijdag 16 maart, wat vreemd allemaal. Het persbericht over het Burgerinitiatief werd overal geplaatst. Wie dan de initiatiefnemers waren was niet duidelijk, al een vreemde zaak bij het uitgaan en –doen van het persbericht. Slechts de advocaat was bekend, en een enkele zelf bekennende twitteraar. Waar aanvankelijk nog gezegd werd, dat staat straks wel bij de “petitie” in het Burgerinitiatief, bleek ook dat niet waar te zijn. Alleen de advocaat trad en treedt weer op.

Het plaatsen van een Burgerinitiatief, dat over het schenden van het Beroepsgeheim gaat, en juist daarbuiten anderen (waaronder de initiatiefnemers) het klachtrecht daarover wil geven,  terwijl die initiatiefnemers zich zelf niet bekend maken, en dat in brede zin nog niet doen, is toch wel een zeer ernstige vorm van bewustzijnsvernauwing of ronduit bespottelijk.

Toen (via Twitter, door de advocaat) mij een kort lijstje enkele namen werden genoemd, waarvan ik niet weet of dat lijstje compleet is, moet ik eerlijk zeggen, kon ik zelf ook weer wat beter relativeren.

Indien er “grote” namen van medici, of meer nog ethici, hadden bijgestaan had mij dat ernstig verontrust. Maar dit lijstje, dat naar mijn mening nog steeds in openbaarheid bij het Burgerinitiatief zelf vermeld dient te worden, geeft geen aanleiding tot grote zorgen.

Wat mij wel zorgen blijft baren, is, dat als hiervoor in andere bewoordingen betoogd, het sentiment het van de rede wint, en er zo maar een raar Burgerinitiatief voldoende ondersteund wordt.

Maar goed, dat is óók democratie.

In ieder geval heb ik er een lijstje bij van artsen c.a. wiens levensparadigma zo ver van mij afstaat, dat ze op mij allergielijstje komen te staan, straks in het EPD.

Dat er naar verluidt ook nog advocaten in het initiatiefnemerslijstje staan stemt mij wel tot nadenken over hun visie op het recht.

Mr. H. (Hildebrand) van Weerd                                   

-          Staats- en administratiefrecht 1984, RUL

-          Zorgondernemer

De Jeugdzorg gaat fout

In de Volkskrant van 8 februari wordt een dappere Leidse gezinsvoogd geïnterviewd. Een schets van de ergste gevallen waar de Jeugdzorg wat kan betekenen. Eén probleem, dat wordt genoemd is het “Savanna syndroom”: de Jeugdzorg is óf te laat óf te vroeg. De media bevestigen dit “foute beeld”,  wat het werk van de Jeugdzorg zou bemoeilijken. De analyse van de problemen in de Jeugdzorg  zijn volstrekt fout. In het NRC van 4 februari een verbijsterende analyse van Tjeen Willink van het huidige bestuursrecht.  Die klopt echter wel.

De Jeugdzorg : wie/wat

Door de invoering van de CJG’s (Centrum voor Jeugd en Gezin) is het begrip Jeugdzorg niet verhelderd, maar vertroebeld. Niet alleen in de taal, maar ook in het doen.  De GGD (over de jeugdgezondheidszorg) verspreid ook ineens vragenlijsten, met allerlei vragen naar de sociale situatie, waardoor ze plots ook taken van wat de echte Jeugdzorg was/is toepast op haar hele kinderen/jongeren bestand.

Onder de Jeugdzorg wordt hier begrepen het systeem in Nederland van Jeugdzorginstellingen en daarmee verbonden instellingen als Leerplichtbureau’s,  de Algemene Meldpunten Kindermishandeling (AMK), Raden voor Kinderbescherming, Kinderrechters, het Openbaar Ministerie (leerplicht c.a.) tot en met de Justitiële Jeugdzorg. Er liggen nog meer verbanden zoals met de MEE’s en andere instituten. Zie verderop het schema.

De organisatie

De Jeugdzorg als geheel is een sterk versnipperd stelsel van organisaties en instituten, met bovendien allerlei verschillende financieringsbronnen. Van Staatssecretaris Van Veldhuizen van Santen is er een vastgestelde beleidsnota, nu in te voeren per 2013.  Hierbij komt  er meer coherentie (één financier en uitvoerder: de gemeente).  Er wordt een beleid geschetst met meer aandacht voor preventie, maar óók met meer aandacht voor zelfwerkzaamheid van ouders/gezinnen. Er is minder nadruk op vergaande maatregelegen als een OTS (Onder Toezicht Stelling), waarbij vormen van lichte ondersteuning belangrijker worden.

De huidige complexiteit in schema :

Image

De idée fixe van het belang van het kind

De goede werkers niet te na gesproken, het systeem, en daarmee ook de meeste medewerkers, van de Jeugdzorg dient, anders dan voorondersteld, allang het belang van het kind niet meer. Het systeem dient het belang van de Jeugdzorg als organisatie en medewerkers zelf. Het kind is alleen nog het startpunt.

Het zogenaamde spagaat, waardoor de Jeugdzorg het zelf zo moeilijk zou hebben (in de publieke opinie) tussen “te vroeg en te laat” bestaat niet. Het disfunctioneren van de Jeugdzorg, die zou dienen te handelen in het belang van het kind, ligt in één en hetzelfde organisatie- en cultuurprobleem. Het is één en dezelfde kant van de medaille.

De organisatie en de cultuur is gebouwd, ver van de wet af, op protocollen, waarbij het volgen van het protocol de kern is. Die protocollen zijn verheven tot regels, resp. dé toepassing van de wet.  En die protocollen zijn naar inhoud nauwelijks afgestemd op het oorspronkelijke belang van het kind. Ze dienen voornamelijk het indekken van de Jeugdzorg als systeem, maar ook haar medewerkers, zowel in het algemeen, als in hun gang naar de kinderrechter of het Openbaar Ministerie.

Die ene kant van de medaille is eenvoudig te benoemen : het afvinken van de protocol-onderdelen (en alleen die, nooit daarbuiten) is het doel. Bewezen hoeft slechts te worden dat er “netjes” conform “de” regels gehandeld is.

Het belang van ouder(s) en kind : buiten rechte geplaatst

Het hiervoor gestelde zou nog te verteren zijn, als het recht de ouders tegen de betreffende Jeugdzorg instituties adequaat zou beschermen. Maar dat is geenszins zo.

Dat heeft een drietal oorzaken:

  • De protocolgestuurde aanpak creëert een bijna onschendbare ambtenaar van de Jeugdzorg c.a. Immers : hij heeft netjes volgens de regels gehandeld. Alles is “afgevinkt”.
  • De geschetste organisatie en cultuur, maakt ook dat de ambtenaar zich onschendbaar voelt, en zich alleen verweert met “ik moet de wet toepassen”.  Kinderrechters volgen dat oordeel.
  • Er is geen of nauwelijks (bestuurs)rechtelijke bescherming. Dit op grond van het deels ontbreken van de toepasselijke bestuursrechtelijke of andere beroepsmogelijkheden. Verder voorál ook vanwege de (daardoor) volstrekt ongelijke rechtspositie van de ouders ten opzichte van de Jeugdzorg c.a., of formeel : ten opzichte van de Staat.

Een verdachte in het strafrecht heeft aanzienlijk meer bescherming, dan een ouder tegenover de Jeugdzorg. De ouder kan geen kant op door het deels ontbreken van juridische instrumenten in het recht, geen beroepsmogelijkheden, maar ook door de volstrekt ongelijke (machts)positie van de ouder ten opzichte van de Jeugdzorg. De rechten van een verdachte, diens verweermiddelen, recht op een advocaat, procedures, zijn uitgebreid in het Wetboek van Strafvordering vastgelegd. De Jeugdzorgregelingen kennen geen beschermde positie van de ouders. Zelfs niet in het aanreiken van adequate juridische ondersteuning.

De geleerden, NRC , verbijstering

Tjeen Willink, de vertrokken vice-president van de Raad van State daarover in algemene zin (over het bestuursrecht) (NRC 4-2-2012) :  “Het gaat er niet om of de inhoud deugt maar of het netjes is opgeschreven”.  Hij bevestigt dit als een goed principe. Dit is ronduit verbijsterend. De Nationale Ombudsman Alex Brenninkmeijer daarover : “Overheden kunnen „tot in het oneindige” doorgaan. […] De trias politica verandert in unitas politica. Het wordt hier dus ‘koekoek éénzang’ van de uitvoerende macht.”

En dat is precies wat er ook gebeurt in de Jeugdzorg. Hier wordt niet alleen het probleem van het bestuurshandelen van gewone overheden beschreven, maar ook van de cultuur van de Jeugdzorg : als het maar netjes is opgeschreven. Met bovendien nauwelijks rechtsmiddelen om er tegen op te treden.

Het Nederlandse recht, het Europese recht : nietigheid

Nederlandse wetten kennen geen toetsing aan de Grondwet. Het kent evenwel wél toetsing aan Internationale Verdragen, waarbij er hier twee van belang zijn : “Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten” en het “Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind”.

Nederland de wetten kennen geen toetsing aan de Grondwet. Het kent evenwel wél toetsing aan Internationale Verdragen, waarbij er hier twee van belang zijn : “Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten” en het “Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind”.

Het enerzijds ontbreken van rechtsbescherming, en het anderzijds de volstrekt onbeschermde en ongelijke rechtspositie van de ouder(s) is in alle opzichten in strijd met deze verdragen.

Er is een eenvoudige analogie te zien : vergelijk de procesrechtelijke positie van de verdachte in het Strafrecht met die van de ouder(s) in het Jeugdrecht. De laatsten hebben bijna nul rechtspositie.

Omdat ouders wél belang hechten aan het welzijn van hun kind, en strijden tot het punt (als dat al lukt) waar er meer rust ontstaat, worden er niet dóórgeprocedeerd. Het voorleggen van een eenvoudige casus met een OTS aan het Europese Hof, zou de beslissing zelve terstond nietig doen zijn. Bovendien zouden daardoor alle OTS’n uit het verleden ook geen rechtsgeldigheid meer hebben.

Om dat te laten gebeuren zijn er twee wegen : een beslissing van de Kinderrechter uitprocederen tot het Europese Hof of een beslissing terzake van het Openbaar Ministerie en de strafrechter (waar het de Leerplicht betreft) ook uitprocederen tot het Europese Hof. Zo’n procedure duurt overigens jaren. Een OTS is er dan allang en de ellende al volledig. Ook kan een rechter gevraagd worden tijdens het geding hier een advies (“prejudiciële beslissing”) te vragen aan het Europese Hof.

Terzijde is hier nog wel een opmerking te maken waar de Leerplicht in het geding is en waarbij de zaak aan de strafrechter wordt voorgelegd. Hier is het toegepast Jeugdrecht zelfs in strijd met het toegepaste strafrecht : immers op het moment dat er een proces verbaal wordt opgemaakt, gelden plots alle strafrechtregels. Maar die zijn daarvóór nooit toegepast. Dat betekent dat een Leerplichtzitting bij de strafrechter alleen al faalt door het ontbreken van de gebruikelijke strafrechtelijke bescherming, waaronder het niet stellen van de “cautie” (het niet verplichten tot antwoorden; art. 29 Sv).

Concluderend

Binnen het bestek van dit Blog is het handelen van de Jeugdzorg c.a. en hun aanpak niet uitputtend te behandelen.  Samenvattend is de aanpak van de Jeugdzorg verbijsterend te noemen.

Er is geen rechtsbescherming, of beroepsrecht of juridische ondersteuning voor ouder(s) tegen Jeugdzorg beslissingen.  Een verdachte in een strafproces heeft aanzienlijk meer rechten dan een slachtoffer van de Jeugdzorg.

De Jeugdzorg heeft geen spagaat, maar een organisatie-aanpak en cultuur, waarbij het “netjes” volgen van de protocollen (niet de wet) leidraad is. Het “te vroeg of te laat” is één probleem, gevolg van die cultuur. Inherent aan die cultuur is een “regel = regel” (protocol) denken en doen ontstaan.  Hierbij wordt enkel het veiligheidsbelang van de Jeugdzorg en haar medewerkers gediend, en is het kind slechts drager van dat belang. Het belang van het kind is alleen het startpunt.

(c) ZorgImpact, mr H. (Hildebrand) van Weerd / 09-02-2012

Verloskunde : te gemakkelijk ? Integratie van diagnostiek.

Geblogd wordt over beschikbaar wetenschappelijk onderzoek, de reflexen erop van de sector, de (gelukkig) convergerende effecten ervan door integratie in de geboortezorg, maar weer divergerend waar het het concentratiebeleid van ziekenhuiszorg betreft, en separaat de concentratie van SEH’s. Tot slot wordt ingegaan op een nog minder in het oogspringende problematiek : de diagnostiek en verbetering daarvan, tevens als oplossing voor een nog betere integratie.  Die verbeterde diagnostiek kan eenvoudig met thuiszorgtechnologie. Lees verder

Zorgbesparingen Kabinet, dús meer kosten, dreigtaal

Alle kabinetten en kamers achtereen hebben niet alleen al jaren achtereen gezorgd voor een volstrekte inconsistentie in het Zorgbeleid, “de onbetrouwbare overheid”, maar erger is, dat, met Bos voorop, er immer sprake was en is van netto boekhoudkundige besparingen, die door negatieve substitutie tot méér kosten leiden in de Zorg, nu en zeker op langere termijn. Oh, en terzijde, de Regering heeft een nieuw eufemisme voor bezuinigen gevonden : “versoberen” . Lees verder

Informatie-asymmetrie. Kaalslag in de spreiding van Zorgkennis?

In het diepe binnenland van Suriname bereiken  “medicijnmannen” of “dresiman” bijzondere dingen. De kennis, die zij hebben, wordt alleen aan één opvolger overgedragen. Maar er zijn alleen nog maar oude en hele oude medicijnmannen. De kennisoverdracht lukt niet meer in de nieuwe verwesterde omstandigheden, en de oude kennis dreigt te verdwijnen. Lees verder

EPD : Vergeldingsdrang & Business as Usual

Het debat : de Minister

Dat de steun van de Eerste Kamer moeizaam verkregen zou worden was bekend. Dat er ook nog ruimte zat, door het inmiddels wel vaststaande regiomodel tóch nog te combineren met bijvoorbeeld het LSP (of een deel ervan), was ook bekend. Dat bleek ook uit de bijdragen van de woordvoerders (standaarden, normen, beveiliging). Maar het was de Minister zélf, of om Dupuis te citeren “met name haar ambtenaren”, die de heleboel definitief om zeep bracht. In die zin zijn de koppen in de media fout. Schippers speelde op macht en verloor door haar eigen aanpak; dat deed ze zelfs zó sterk, dat alleen de focus daar op lag, en ze een groot deel van haar antwoord (geschreven voor haar liggend) niet eens meer uitsprak. “Laat maar”, was de houding. “Graag of helemaal niet”. Lees verder

Het EPD, De Brief, De Ziel, De Schuld en De Politiek

De ziel

De Brief van De Minister, Schippers, van VWS, was er meer één van haar ambtenaren dan van haarzelf.  In het vorige Blog beschreef ik al de getallenbrij en het wijzen van de ambtenarij op de sector. De wat al te uitvoerige uitleg over de totstandkoming van het EPD, alsof de lezers er voor het eerst van hoorden, was een opsomming om te laten zien, dat de zorg sector(en) het zelf allemaal heeft gewild. Daar zat enig ambtelijke venijn in. Lees verder

Aansluitingen of gebruikers?

Veel handelingen

Ooit belde ik voor een klant, die na zes weken nog steeds geen kentekenbewijs had, de RDW, “Veendam” in de volksmond. “Veendam” had een gele briefjes cultuur. Veel rondslingerende gegevens, nergens informatie en geen probleemeigenaren. Aan het einde van een uitzonderlijk lang gesprek met wat toen nog gewoon een “medewerker” heette, zei deze medewerker “U moest eens weten hoeveel handelingen wij hier per dag moeten doen!”. Mijn resolute antwoord was “dan zullen Uw bedrijfsprocessen daar vast wel op ingericht zijn!”. Lees verder

Het EPD afgelegd

De Eerste Kamer, het spel en de knikkers

Eigenlijk wisten we het al, dat het terminaal was. Maar er was nog de ontkenningfase. Dupuis (VVD) had het al aangekondigd. Het zou moeilijk worden, heel moeilijk.

De toonzetting, zeker van de bepalende Dupuis (het gaat over háár Minister), was hard, zelfs keihard. Dupuis fileerde niet alleen de aanpak van het (L-) EPD, maar fileerde en passant ook de belangenorganisaties, die van alles riepen, maar goed geanalyseerd dan ook niet op het EPD terecht zouden komen. De NPCF werd wat smalend vermeld.

In de vroege ochtend tekende zich de echte richting al af. Als hier eerder geschetst, is de Eerste Kamer het instrument, dat ook voor de minister, er een einde aan moet maken. Zo gaat dat in de politiek : afstemmen, overleg, lobby, een-tweetjes. (2-tjes, niet dat van twitter…). Waar de KNMG met een wat abstracte brief niet tegen, maar zeker niet voor het EPD was, en de KNMG “mede namens” de LHV sprak,  verscheen plots op de dinsdagochtend alsnog een LHV standpunt  : geen landelijk EPD. Lees verder