Tagarchief: Recht

De Jeugdzorg gaat fout

In de Volkskrant van 8 februari wordt een dappere Leidse gezinsvoogd geïnterviewd. Een schets van de ergste gevallen waar de Jeugdzorg wat kan betekenen. Eén probleem, dat wordt genoemd is het “Savanna syndroom”: de Jeugdzorg is óf te laat óf te vroeg. De media bevestigen dit “foute beeld”,  wat het werk van de Jeugdzorg zou bemoeilijken. De analyse van de problemen in de Jeugdzorg  zijn volstrekt fout. In het NRC van 4 februari een verbijsterende analyse van Tjeen Willink van het huidige bestuursrecht.  Die klopt echter wel.

De Jeugdzorg : wie/wat

Door de invoering van de CJG’s (Centrum voor Jeugd en Gezin) is het begrip Jeugdzorg niet verhelderd, maar vertroebeld. Niet alleen in de taal, maar ook in het doen.  De GGD (over de jeugdgezondheidszorg) verspreid ook ineens vragenlijsten, met allerlei vragen naar de sociale situatie, waardoor ze plots ook taken van wat de echte Jeugdzorg was/is toepast op haar hele kinderen/jongeren bestand.

Onder de Jeugdzorg wordt hier begrepen het systeem in Nederland van Jeugdzorginstellingen en daarmee verbonden instellingen als Leerplichtbureau’s,  de Algemene Meldpunten Kindermishandeling (AMK), Raden voor Kinderbescherming, Kinderrechters, het Openbaar Ministerie (leerplicht c.a.) tot en met de Justitiële Jeugdzorg. Er liggen nog meer verbanden zoals met de MEE’s en andere instituten. Zie verderop het schema.

De organisatie

De Jeugdzorg als geheel is een sterk versnipperd stelsel van organisaties en instituten, met bovendien allerlei verschillende financieringsbronnen. Van Staatssecretaris Van Veldhuizen van Santen is er een vastgestelde beleidsnota, nu in te voeren per 2013.  Hierbij komt  er meer coherentie (één financier en uitvoerder: de gemeente).  Er wordt een beleid geschetst met meer aandacht voor preventie, maar óók met meer aandacht voor zelfwerkzaamheid van ouders/gezinnen. Er is minder nadruk op vergaande maatregelegen als een OTS (Onder Toezicht Stelling), waarbij vormen van lichte ondersteuning belangrijker worden.

De huidige complexiteit in schema :

Image

De idée fixe van het belang van het kind

De goede werkers niet te na gesproken, het systeem, en daarmee ook de meeste medewerkers, van de Jeugdzorg dient, anders dan voorondersteld, allang het belang van het kind niet meer. Het systeem dient het belang van de Jeugdzorg als organisatie en medewerkers zelf. Het kind is alleen nog het startpunt.

Het zogenaamde spagaat, waardoor de Jeugdzorg het zelf zo moeilijk zou hebben (in de publieke opinie) tussen “te vroeg en te laat” bestaat niet. Het disfunctioneren van de Jeugdzorg, die zou dienen te handelen in het belang van het kind, ligt in één en hetzelfde organisatie- en cultuurprobleem. Het is één en dezelfde kant van de medaille.

De organisatie en de cultuur is gebouwd, ver van de wet af, op protocollen, waarbij het volgen van het protocol de kern is. Die protocollen zijn verheven tot regels, resp. dé toepassing van de wet.  En die protocollen zijn naar inhoud nauwelijks afgestemd op het oorspronkelijke belang van het kind. Ze dienen voornamelijk het indekken van de Jeugdzorg als systeem, maar ook haar medewerkers, zowel in het algemeen, als in hun gang naar de kinderrechter of het Openbaar Ministerie.

Die ene kant van de medaille is eenvoudig te benoemen : het afvinken van de protocol-onderdelen (en alleen die, nooit daarbuiten) is het doel. Bewezen hoeft slechts te worden dat er “netjes” conform “de” regels gehandeld is.

Het belang van ouder(s) en kind : buiten rechte geplaatst

Het hiervoor gestelde zou nog te verteren zijn, als het recht de ouders tegen de betreffende Jeugdzorg instituties adequaat zou beschermen. Maar dat is geenszins zo.

Dat heeft een drietal oorzaken:

  • De protocolgestuurde aanpak creëert een bijna onschendbare ambtenaar van de Jeugdzorg c.a. Immers : hij heeft netjes volgens de regels gehandeld. Alles is “afgevinkt”.
  • De geschetste organisatie en cultuur, maakt ook dat de ambtenaar zich onschendbaar voelt, en zich alleen verweert met “ik moet de wet toepassen”.  Kinderrechters volgen dat oordeel.
  • Er is geen of nauwelijks (bestuurs)rechtelijke bescherming. Dit op grond van het deels ontbreken van de toepasselijke bestuursrechtelijke of andere beroepsmogelijkheden. Verder voorál ook vanwege de (daardoor) volstrekt ongelijke rechtspositie van de ouders ten opzichte van de Jeugdzorg c.a., of formeel : ten opzichte van de Staat.

Een verdachte in het strafrecht heeft aanzienlijk meer bescherming, dan een ouder tegenover de Jeugdzorg. De ouder kan geen kant op door het deels ontbreken van juridische instrumenten in het recht, geen beroepsmogelijkheden, maar ook door de volstrekt ongelijke (machts)positie van de ouder ten opzichte van de Jeugdzorg. De rechten van een verdachte, diens verweermiddelen, recht op een advocaat, procedures, zijn uitgebreid in het Wetboek van Strafvordering vastgelegd. De Jeugdzorgregelingen kennen geen beschermde positie van de ouders. Zelfs niet in het aanreiken van adequate juridische ondersteuning.

De geleerden, NRC , verbijstering

Tjeen Willink, de vertrokken vice-president van de Raad van State daarover in algemene zin (over het bestuursrecht) (NRC 4-2-2012) :  “Het gaat er niet om of de inhoud deugt maar of het netjes is opgeschreven”.  Hij bevestigt dit als een goed principe. Dit is ronduit verbijsterend. De Nationale Ombudsman Alex Brenninkmeijer daarover : “Overheden kunnen „tot in het oneindige” doorgaan. […] De trias politica verandert in unitas politica. Het wordt hier dus ‘koekoek éénzang’ van de uitvoerende macht.”

En dat is precies wat er ook gebeurt in de Jeugdzorg. Hier wordt niet alleen het probleem van het bestuurshandelen van gewone overheden beschreven, maar ook van de cultuur van de Jeugdzorg : als het maar netjes is opgeschreven. Met bovendien nauwelijks rechtsmiddelen om er tegen op te treden.

Het Nederlandse recht, het Europese recht : nietigheid

Nederlandse wetten kennen geen toetsing aan de Grondwet. Het kent evenwel wél toetsing aan Internationale Verdragen, waarbij er hier twee van belang zijn : “Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten” en het “Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind”.

Nederland de wetten kennen geen toetsing aan de Grondwet. Het kent evenwel wél toetsing aan Internationale Verdragen, waarbij er hier twee van belang zijn : “Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten” en het “Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind”.

Het enerzijds ontbreken van rechtsbescherming, en het anderzijds de volstrekt onbeschermde en ongelijke rechtspositie van de ouder(s) is in alle opzichten in strijd met deze verdragen.

Er is een eenvoudige analogie te zien : vergelijk de procesrechtelijke positie van de verdachte in het Strafrecht met die van de ouder(s) in het Jeugdrecht. De laatsten hebben bijna nul rechtspositie.

Omdat ouders wél belang hechten aan het welzijn van hun kind, en strijden tot het punt (als dat al lukt) waar er meer rust ontstaat, worden er niet dóórgeprocedeerd. Het voorleggen van een eenvoudige casus met een OTS aan het Europese Hof, zou de beslissing zelve terstond nietig doen zijn. Bovendien zouden daardoor alle OTS’n uit het verleden ook geen rechtsgeldigheid meer hebben.

Om dat te laten gebeuren zijn er twee wegen : een beslissing van de Kinderrechter uitprocederen tot het Europese Hof of een beslissing terzake van het Openbaar Ministerie en de strafrechter (waar het de Leerplicht betreft) ook uitprocederen tot het Europese Hof. Zo’n procedure duurt overigens jaren. Een OTS is er dan allang en de ellende al volledig. Ook kan een rechter gevraagd worden tijdens het geding hier een advies (“prejudiciële beslissing”) te vragen aan het Europese Hof.

Terzijde is hier nog wel een opmerking te maken waar de Leerplicht in het geding is en waarbij de zaak aan de strafrechter wordt voorgelegd. Hier is het toegepast Jeugdrecht zelfs in strijd met het toegepaste strafrecht : immers op het moment dat er een proces verbaal wordt opgemaakt, gelden plots alle strafrechtregels. Maar die zijn daarvóór nooit toegepast. Dat betekent dat een Leerplichtzitting bij de strafrechter alleen al faalt door het ontbreken van de gebruikelijke strafrechtelijke bescherming, waaronder het niet stellen van de “cautie” (het niet verplichten tot antwoorden; art. 29 Sv).

Concluderend

Binnen het bestek van dit Blog is het handelen van de Jeugdzorg c.a. en hun aanpak niet uitputtend te behandelen.  Samenvattend is de aanpak van de Jeugdzorg verbijsterend te noemen.

Er is geen rechtsbescherming, of beroepsrecht of juridische ondersteuning voor ouder(s) tegen Jeugdzorg beslissingen.  Een verdachte in een strafproces heeft aanzienlijk meer rechten dan een slachtoffer van de Jeugdzorg.

De Jeugdzorg heeft geen spagaat, maar een organisatie-aanpak en cultuur, waarbij het “netjes” volgen van de protocollen (niet de wet) leidraad is. Het “te vroeg of te laat” is één probleem, gevolg van die cultuur. Inherent aan die cultuur is een “regel = regel” (protocol) denken en doen ontstaan.  Hierbij wordt enkel het veiligheidsbelang van de Jeugdzorg en haar medewerkers gediend, en is het kind slechts drager van dat belang. Het belang van het kind is alleen het startpunt.

(c) ZorgImpact, mr H. (Hildebrand) van Weerd / 09-02-2012